zaterdag 2 november 2013

Albrecht Beutel (Hg.). Luther Handbuch

„Ergo vero nihil habeo et sum, nisi quod Christianum esse me prope glorier”, zo sprak Martin Luther (1483-1546) over zichzelf. In het Duits vertaald: „Ich aber habe nichts und bin nichts, es sei denn, daβ ich beinahe rühmen kann, ein Christ zu sein.” (S. 101) Over deze man, die zegt niets te hebben en niets te zijn, werd een handboek geschreven. In tal van artikelen wordt duidelijk gemaakt wie hij was en wat hij heeft gedaan.

Bij uitgeverij Mohr Siebeck te Tübungen zijn al enkele handboeken over belangrijke figuren uit de kerkgeschiedenis gepubliceerd. Al eerder verschenen er handboeken over de kerkvaders Athanasius en Augustinus. Onder redactie van de christelijk gereformeerde hoogleraar H.J. Selderhuis verscheen er in 2009 een handboek over de Geneefse reformator Calvijn. Van dit werk gaf uitgeverij Kok een Nederlandse vertaling uit. Een handboek over Martin Luther verscheen er onder de redactie van Albrecht Beutel (1957), hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Universiteit van Münster. Naast Beutel hebben er nog een vijfentwintigtal auteurs meegewerkt. Samen hebben zij in zestig bondige artikelen een heel compleet beeld gegeven van de Wittenbergse reformator.

Het handboek is ingedeeld in vier afdelingen. Allereerst wordt er in het inleidende gedeelte, onder de titel Orienterung, een overzicht gegeven van de belangrijkste Luther-uitgaven, een overzicht van geschikte hulpmiddelen voor studie en wordt de stand van het Lutheronderzoek besproken. Heel aardig is het overzicht dat Volker Leppin biedt in zijn artikel ‘Lutherforschun am Beginn des 21. Jahrhunderts’ (S. 19-34). In heldere lijnen wordt uiteengezet hoe het aan het begin van deze eeuw, door onderzoek van de kerkhistoricus Karl Holl, kwam tot een Luther-renaissance. Holl is van eminent belang geweest voor het Lutheronderzoek, ook al deelde hij niet de opvattingen van de dialectische theologie die tot een andere waardering van Luthers theologie kwam.

Tendensen
Aan het einde van zijn artikel geeft Leppin een overzicht van de nieuwste tendensen in het Lutheronderzoek. Allereerst noemt hij het feit dat Luther steeds meer wordt gezien in zijn ‘collegiale context’. „Die Rückkehr zu einem auch personenorientierten Interesse hat, geschult durch die Hinweise der sozialhistorischen Forschung auf die Bedeutung der Einbinding einer Person in ihren Kontext, die Personen neben Luther neu in das Interesse gerückt” (S. 32), aldus Leppin. Vervolgens wordt ook gewezen op het feit dat er meer interesse is gekomen voor de latere Luther en (ten derde) dat er nieuwe vragen worden gesteld bij de jonge Luther en ‘seinen geistigen Wurzeln’. In dezen wordt de vraag gesteld in hoeverre scholastiek, mystiek en humanisme Luther hebben beïnvloed. Deze vragen, met name die naar Luther en de mystiek, doen het Lutheronderzoek van Gerhard Ebeling (1912-2001), onder andere uitgever van de Weimarer Ausgabe van Luthers werk, wankelen. Anders dan Ebeling stelt, zou Luther veel meer invloed hebben ondergaan van de middeleeuwse theologie en veel minder afstand hebben gedaan van de traditionele schrifthermeneutiek van de viervoudige schriftzin. Ten slotte staat in het nieuwere Lutheronderzoek de vraag centraal in hoeverre Luthers geschriften daadwerkelijk normatief zijn geweest voor het belijden van de kerk.

Zoals gezegd hebben de middeleeuwse theologie en het humanisme, volgens de nieuwe tendensen in het Lutheronderzoek, invloed uitgeoefend op de reformator. In de tweede afdeling van het handboek, waarin de persoon van Luther centraal staat, wordt hier nader op ingegaan. Allereerst wordt ingegaan op de tradities die Martin Luther beïnvloed zouden hebben. Via het humanisme, waarmee Luther al in zijn studietijd te Erfurt te maken kreeg en de mogelijkheden die de boekdrukkunst bood, kwam Luther in aanraking met de kerkvaders. Met name Augustinus (354-430) zou grote invloed op hem uitoefenen. Leppin schrijft hierover: „Luthers neue Theologie zeichnet sich dadurch aus, daβ sie das Verhältnis von menschlichen Tun und Genade neu im Sinne des antipelagianischen Augustin bestimmt.” (S. 46) Daarnaast wordt gewezen op Luthers omgaan met de mystieke theologie, een traditie die overigens ook veel invloed heeft uitgeoefend op de reformator. De naam van Bernardus van Clairvaux (1090-1153) wordt veelvuldig genoemd. In zijn Freiheitsschrift (1520) grijpt Luther terug op het beeld van de bruid (de gelovige) en de Bruidegom (Christus). Een metafoor die stevig is verankerd in de Bernardijnse bruidsmystiek. Interessant is de link die tussen de Devotio Moderna en Luther wordt gelegd: „Es ging beiden, der devotio moderna, wie auch Luther, um eine jenseits der Klostermauern lebbare Mystik.” (S. 61)

Biografie en theologie
Na deze schets van tradities, wordt vervolgens in deel twee van het handboek in een drietal artikelen op de persoon van Luther zelf ingegaan; ‘Lebenslauf’ (Hellmutt Zschoch, S. 82-91), ‘Die religiöse Leitidee (Dietrich Korsch, S. 91-97) en ‘Geschichtsbild und Selbstverständnis’ (Johannes Schilling, S. 97- 105). Daarna wordt nog stilgestaan bij Luthers verhoudingen tot andere personen en thema’s. Tenslotte wordt de invloed van Luther nagegaan op onder andere muziek, beeldende kunst en taal. Heel treffend brengt Helmut Zschoch Luthers reformerend streven onder woorden: „Der Widerspruch gegen die  scholastische Theologie und das Intresse an einer lebendigen Religiosität aller Christen kamen Ende 1517 im Ablaβstreit zusammen und führten gerade aufgrund dieser Kombinatio zu Luthers groβem Konflikt mit der Papstkirche.” (S.85). Dergelijke heldere en samenvattende zinnen kenmerken de artikelen uit het handboek. Telkens wordt de nodige informatie gegeven waaruit vervolgens duidelijke conclusies worden getrokken.

De theologische grondlijnen of ‘die religiöse Leitidee’ zoals Dietrich Korsch het verwoordt, keren voortdurend terug in verschillende artikelen. Bekende zaken worden door Korsch genoemd: Het primaat van het Woord als Woord van God. Het Woord dat de zondaar de vreemde vrijspraak verkondigt. De dialectiek van wet en evangelie. God als reddende, oordelende en handelende God. Hierover schrijft Korsch: „Einer Substantialiserierung Gottes als höchstes Wesen ist damit ebenso der Abscheid gegeben wie einer Spiritualisering Gottes im Modus negativer Theologie” (S. 95) Vervolgens worden ook de ethiek, de sacramenten en de kerk genoemd. Al deze zaken hebben doorgewerkt in Luthers denken en worden in zijn werken tot uitdrukking gebracht. In de derde afdeling genaamd werk wordt dit verder uitgewerkt. Albrecht Beutel, de hoofdredacteur van het handboek, vat de structuur van Luthers theologie vervolgens heel duidelijk samen in drie artikelen over respectievelijk Luthers theologie als ‘Schriftauslegung’, ‘Unterscheidungslehre’ en ‘Erfahrungswissenschaft’.  

Dialectiek
Tenslotte wordt in de laatste artikelen, samengebracht in de afdeling Wirkung und Rezeption, gekeken naar de doorwerking van Luthers theologie in de eeuwen na hem. Prof. Dr. Karl-Heinz zur Mühlen (1937), emeritus-hoogleraar kerkgeschiedenis aan de universiteit van Bonn, nam deze vier artikelen voor zijn rekening. Wanneer het gaat om de doorwerking van Luther tot en met de twintigste eeuw, dan valt uiteraard de naam van Karl Barth (1886-1968). De schets die van de negentiende-eeuw wordt gegeven, de eeuw van de cultuurtheologie van Ernst Troeltsch (1865-1923), gaat over in de twintigste eeuw. Wellicht dat het jaar 1914 de breuklijn tussen deze eeuwen vormt, althans zo wordt gesuggereerd door professor zur Mühlen. Theologisch gezien vormt dit jaar eveneens een breuk. De verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog leiden tot de desillusie van het cultuuroptimisme en de cultuursynthese en tot de dialectische theologie die teruggrijpt op het Woord van de God die God is en die Zich in volstrekte soevereiniteit openbaart. Noties die in band I/2 van Barths Kirchliche Dogmatik, met een beroep op Luther, aan de orde worden gesteld. Zo zijn er tal van lijnen te trekken van en naar Luther. Voor een ieder die zich professioneel of uit interesse bezig wil houden met deze reformator vormt dit handboek een onmisbaar hulpmiddel. Naast de schetsen, soms in fijne, soms in grove lijnen, vormen de literatuurverwijzingen een stimulans om verder te studeren in het werk van deze grote gestalte uit de kerk der eeuwen.

Albrecht Beutel (Hg.), Luther Handbuch. 2. Auflage. Mohr Siebeck: Tübingen 2010. 537 S. € 24,90 (Paperback) of € 109,- (Hardcover). 

zaterdag 26 oktober 2013

H.W de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging. Over secularisatie, wetenschap en christelijk geloof

Emeritus-hoogleraar dogmatiek en christelijke ethiek aan de Universiteit Utrecht H.W. de Knijff heeft een indringende en diepgravende studie geschreven. Het zou wellicht zijn magnus opus genoemd mogen worden. Veel van de thema’s waarmee hij zich de afgelopen jaren heeft beziggehouden, keren in zijn boek getiteld Tegenwoordigheid van Geest als Europese uitdaging terug. Zelfs O. Noordmans (1871-1956), op wie hij promoveerde, wordt sprekend ingevoerd.

Het is geen geringe prestatie die prof. Dr. H.W. de Knijff, inmiddels de tachtig gepasseerd, heeft geleverd. Zijn werk is doorwrocht en getuigt van een zeer grote belezenheid en een enorme kennis van zaken van de huidige stand van wetenschap. De Knijff toont zich niet alleen een groot theoloog en denker, maar is ook thuis op het gebied van de (wetenschaps)filosofie en de fysica. Daarnaast weet hij zijn gedachten helder te verwoorden in een helder betoog. Stap-voor-stap wordt de lezer meegenomen in zijn betoog. Enig doorzettingsvermogen wordt wel van de lezer verwacht. De lange zinnen met een hoge informatiedichtheid zijn zorgvuldig geformuleerd, maar stellen soms hoge eisen aan de lezer. De volhouder wordt echter ruimschoots beloond.

Secularisatie
In het eerste hoofdstuk maakt De Knijff duidelijk wat hem bewoog tot het schrijven van dit werk. Hij gaat aan de hand van Geert Maks bekende werk Hoe God verdween uit Jorwerd na hoe de secularisatie heeft toegeslagen in Nederland en Europa. In vogelvlucht schetst De Knijff een panorama van het Europese godsgeloof. De vraag of God deze wereld heeft verlaten, wordt door de schrijver tweeledig beantwoord: „’God’ (als menselijke voorstelling) heeft (mogelijk) de wereld verlaten, maar voor de God van de bijbel is dit een onmogelijke gedachte.” (29) De God van de bijbel is een God die eeuwig is, dat is noodzakelijk en behoort tot zijn definitie. Het kan dus niet zo zijn dat deze God na een tijdje verdwijnt uit deze wereld.

Terecht stelt De Knijff de vraag of het om een menselijke projectie gaat, wanneer wordt gesproken over de god die verdwijnt, of om een realiteit. Met het verdwijnen van het godsgeloof is de structuur van het leven voor de mens verdwenen. De Knijff: „Met God is de motivatie, de formuleerbaarheid en de samenhang van het bestaan verdwenen.” (27) En: „Een totaal andere ervaringswereld is voor de oude in de plaats gekomen.” (Idem.) Een heteronoom wereldbeeld heeft plaatsgemaakt voor een autonoom wereldbeeld, waarin de natuurwetenschappen het geloof hebben geëlimineerd. Het vertrouwde heeft plaats gemaakt voor vervreemding. Een vervreemding die door de moderne mens diepgaand wordt ervaren.

Kenopvatting
De Knijff bespeurt bij de moderne mens een schizofrenie. Enerzijds zijn er de harde feiten, de objectieve kennis van de werkelijkheid, zoals deze door de moderne (natuur)wetenschappen zijn voortgebracht. Anderzijds is er de ervaringswerkelijkheid van de mens met zijn letterlijk subjectieve kennis. De spanning tussen het kennende subject en het gekende object is enorm. Juist deze spanning doet de mens zijn vervreemding van de werkelijkheid ervaren. Is er überhaupt nog ruimte voor het kennende subject binnen de huidige wetenschap of is er alleen sprake van objectieve kennis?

Nadat De Knijff zijn diagnose heeft gesteld, komt hij in hoofdstuk drie tot een beschrijving van de Europese denkgeschiedenis en in hoofdstuk vier tot een analyse van de geschiedenis van de kenopvatting.  Twee boeiende hoofdstukken, die op zichzelf al de moeite van het lezen waard zijn. De auteur concludeert dat er in de wetenschap, zoals deze heden ten dage wordt beoefend, sprake is van een ‘eenzijdige fysicalisering’, die soms heel ‘scherpe vormen’ aanneemt. „Daarmee zijn wij”, aldus de Knijff: „aangekomen bij de huidige situatie in wetenschap en maatschappij.” (151) Het oude christelijke wereldbeeld heeft plaats moeten maken voor een ‘wereldweten zonder transcendente betrekking’.

Mediaal
De gevolgen van de beschreven ontwikkeling voor het kennende subject zijn niet gering. De mens is het stuur over zijn leven kwijtgeraakt. Professor De Knijff: „De hedendaagse leefwereld houdt door dit alles voor de menselijke persoon het permanente conflict in zich het feitelijke bestaan te handhaven tegenover de ontlediging, die zich met grote kracht aan de ervaringswereld van het subject opdringt.” (156) Interessant is het om te zien hoe in het verleden het subject heeft gestreden voor haar eigen plaats in de kenleer. Voorbeelden daarvan zijn onder andere de mystiek en de romantiek. Aan het einde van het descriptieve deel van zijn boek komt De Knijff tot de conclusie: „Wij moeten de grondvragen blijven stellen en blijven zoeken naar de ware aard van de subjectiviteit als kostbaar prerogatief van het menselijk bestaan.” (206)

In het vervolg van zijn boek voert De Knijff een hartstochtelijk pleidooi voor een mediaal kennisbegrip, waarin subject en object correlatief met elkaar verbonden worden. De Knijf: „In dit kenmodel gaat –zo stelden wij– alle objectivering uit van de geest; deze omvat zowel het ‘naturele’ als het ‘historische’ object: de geest is de universele, allesbepalende bron van alle objectivaties.” (273) Dit is wat de auteur verstaat onder ‘tegenwoordigheid van geest’. De geesteswetenschappen, ook de theologie –met name de hermeneutiek– nemen in dit kenmodel een prominente plaats in. Zij brengt volgens De Knijff objectieve kennis voort: „Het gaat immers om kennis die op een eigenstandige geesteswerking en objectverwerkelijking berust en daarin erkenning vraagt.” (292)

Openbaring
De ondertitel van De Knijffs boek spreekt niet alleen over secularisatie en wetenschap, maar ook over christelijk geloof. In de kenleer draait het geloof de zaken radicaal om. Het geloof stelt namelijk dat aan al ons weten Gods weten voorafgaat; de openbaring. De Knijff: „Er wordt zogezien verondersteld dat er een kennis bestaat die niet op het eigen kenvermogen van de mens berust, maar een hogere oorzaak heeft en zich als zodanig aan de mens ‘openbaart’.” (293) De mens is dan niet alleen het kennende subject, maar wordt gekend door zijn object. Hij is immers door God gekend (vgl. Galaten 4: 19). In dezen volgt De Knijff de Duitse theoloog E. Jüngel (1934) die hij uitvoerig citeert.

Bij het lezen van De Knijffs betoog worden de gedachten geleid naar de theologie zoals die door theologen van de Ethische richting, met vertegenwoordigers als D. Chantepie de la Saussaye (1818-1874) en J.H. Gunning (1829-1905), werd bedreven. Enerzijds is er de moderne wetenschap. Anderzijds het christelijk geloof. Beide worden zij volstrekt serieus genomen en met elkaar in gesprek gebracht. De Knijff beweegt zich, als een ware homo universalis, moeiteloos in beide werelden. Zo wil hij hen beide in correlatie tot elkaar brengen, tegen het antagonisme van de moderne tijd in.

H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging. Over secularisatie, wetenschap en christelijk geloof. Boekencentrum: Zoetermeer 2013. 368 blz. € 29,90

donderdag 3 oktober 2013

P.C. Hoek, Melchior Leydecker (1642-1721). Een onderzoek naar de structuur van een gereformeerd scholasticus

De Utrechtse dogmaticus A.A. van Ruler (1908-1970) sprak ooit lyrisch: „Zo is voor mijn besef de scholastieke methode geen kwestie van on-vruchtbare spitsvondigheid, maar de eigenlijke, lente-achtige bloeseming van het denken. Zij is de bloeiende Betuwe in het voorjaar, waar ook het kleinste blaadje schoon is."
Met deze opmerking van Van Ruler wordt een actuele discussie aangesneden binnen het recente onderzoek naar de gereformeerde scholastiek. Heel terecht gaat doctor P.C. Hoek in zijn onderzoek naar de structuur van de theologie van de gereformeerde scholasticus Melchior Leydecker, in op deze verschillende zienswijzen. Binnen het huidige onderzoek is namelijk sprake van een tweetal theorieën of interpretatiemodellen. Kort en bondig brengt Hoek deze methoden onder woorden: „Voorstanders van de discontinuïteitstheorie zien (de opkomst van) de scholastieke orthodoxie als een breuk met de inzichten van de reformatoren.” (15) De ratio zou over de openbaring gaan heersen. „Representanten van de continuïteitstheorie zien de opkomst van de protestantse scholastiek en de gereformeerde scholastiek als een specifieke gestalte daarvan niet als een regressie in middeleeuwse denkpatronen, maar als een resultaat van een progressieve ontwikkeling in de wetenschappelijke theologie.” (17) Sommigen die deze theorie aanhangen bestrijden dan ook de gedachte dat de reformatie en humanistische renaissance een ‘anti-scholastiek’ karakter zouden hebben.

Methode
Heel nadrukkelijk wordt door velen gesteld dat de scholastiek een wetenschappelijk methode is. Het is een werkwijze die werd gebruikt aan de universiteiten. Daarbij gaat het om „een steeds wederkerend systeem van begrippen, distinkties, definities, propositieanalyses, redeneertechnieken en disputeermethoden” (19), aldus de bekende definitie van mediëvist L.M. de Rijk. Dat ook Leydecker van deze methode gebruik maakte staat voor Hoek vast. In zijn onderzoek gaat hij uit van de hypothese van de continuïteitstheorie. Daarnaast stelt de onderzoeker de vraag of er naast de formele continuïteit, ook sprake is van materiële continuïteit tussen de middeleeuwse scholastiek en de gereformeerde scholastiek, zoals vertegenwoordigd door Leydecker. De vraag is dus of Leydecker ook inhoudelijk is beïnvloed door scholastici uit de middeleeuwen en de middeleeuwse philosphia christiana. Met het stellen van deze vraag rijzen er meteen weer nieuwe vragen, want welke modaliteit binnen de middeleeuwse scholastiek heeft Leydecker meest beïnvloed. Of is er, zoals R.A. Muller stelt,  sprake van een eclectische houding binnen de gereformeerde scholastiek?  
Nadat P.C. Hoek al deze vragen heeft opgeworpen, vangt hij aan met zijn eigenlijke onderzoek. Allereerst volgt er een biografische schets van Melchior Leydecker. Hoek heeft daaraan verstandig gedaan, want voor velen zal Leydecker wellicht weinig bekend zijn. Allereerst wordt hij getekend in zijn sociale achtergrond. Afkomstig uit een patriciërsgeslacht is hij een man met een zekere standing. Daarnaast wordt genoemd dat pietas (vroomheid) en scientia (wetenschap) bij Leydecker hand-in-hand gingen. Dit had hij van geen vreemde, want ook zijn Utrechtse leermeester Gisbertus Voetius, huldigde dit adagium. Hoek wijst ook op de invloed van de puriteinen op Leydecker. Naast Voetius, moet ook Melchiors Leidse leermeester worden genoemd: Johannes Coccejus. Samen met Hoornbeeck vormen deze mannen Leydeckers belangrijkste leermeesters. In 1678 wordt Utrecht ‘met een derde Professor voorsien’ in de persoon van Leydecker. Tot zijn dood in 1721 blijft hij dit ambt vervullen.

Voluntas
Het voornaamste doel van dit proefschrift is het geven van een beschrijving van Leydeckers theologie. Na de biografische schets volgt er dan ook een systematisch gedeelte waarin de structuur van de theologie van deze gereformeerde scholasticus wordt getekend. Allereerst wordt ingezet met de godsleer. Het voor de scholastiek typerende onderscheid tussen theologia archetypa en theologia ectypa is ook voor Leydeckers definiëring van het openbaringsbegrip van cruciaal belang. Bij de theologia archetypa gaat het om de kennis die God van Zichzelf en Zijn werken heeft. Dit betreft kennis die noodzakelijk of vrij is. Hoek: „Zij [d.i. de theologia archetypa] is een ‘schets’ (idea) van de ectypische godskennis die de mens van God kan hebben, en is van eeuwigheid in het verstand van God voorbepaald krachtens een goddelijk wilsbesluit.” (80) De genoemde begrippen, noodzakelijk, vrije en goddelijk wilsbesluit, keren voortdurend terug in de beschrijving van Leydeckers theologie.
Vanuit het hoofdstuk over de godsleer onderwerpt Hoek een drietal goddelijke eigenschappen aan nader onderzoek. Achtereenvolgens gaat hij in op Gods kennis (scientia), Gods wil (voluntas) en Gods macht (potentia). Deze drie eigenschappen hangen overigens nauw samen in Leydeckers theologie, waarbij de goddelijke wil een prominente plaats inneemt. Hoek schrijft daarover: „ De cruciale rol van de goddelijke wil, die door Leydecker dus formeel (in sensu formali) onderscheiden wordt van de overige goddelijke eigenschappen, blijkt bij de nadere bestudering van enkele essentiële onderdelen van Leydeckers theologie keer op keer. Zowel de structuur van de kennis van God (scientia Dei) als van de macht van God (potentia Dei) worden door Gods wil bepaald. Zowel de kennis als de macht worden bepaald door het ‘structureel voorafgaan aan’ en het ‘structureel volgen op’ het goddelijk decreet (wilsact).” (271) Vanuit dit denken over deze drie goddelijke eigenschappen worden de lijnen verder getrokken naar God en de werkelijkheid. Begrippen als voorzienigheid, predestinatie, antropologie en christologie worden ingekleurd.

Augustijns-fransciscaanse traditie
Tussen de grote nadruk die door Leydecker wordt gelegd op het wilsbesluit van God en het denken van de middeleeuwse theoloog Johannes duns Scotus (1266-1308) ziet Hoek een grote verwantschap. Was voor Thomas van Aquino (1225-1274) de goddelijke kennis (scientia) het structurerende principe in zijn theologie en de grond voor onze werkelijkheid. Bij Duns Scotus is dat de goddelijke wil (voluntas). In twee begrippen samengevat gaat het respectievelijk om het model van de diachrone en de synchrone contingentie. Daarbij komt het aan op de vraag of de werkelijkheid noodzakelijk of contingent is. Is alleen die ene ‘stand van zaken’ mogelijk op een bepaald tijdstip of zou ook een andere ‘stand van zaken’ mogelijk zijn op dat bepaalde tijdstip? Thomas van Aquino zegt: „Alles wat God kent, is noodzakelijk.” (133). Kortom onze werkelijkheid is noodzakelijk zo zoals die is. Bij Duns Scotus is de werkelijkheid contingent. De werkelijkheid is zo, omdat God deze zo heeft gewild. Om het met Van Ruler te zeggen: „De dingen vinden hun grond puur en alleen in zijn [d.i. Gods] vrijmacht, welbehagen en goedheid. De dingen komen dan ook niet zoals ze komen moeten, maar zoals God ze wil.” (234)
De theologie van Duns Scotus en zijn leerlingen, zoals deze werd beoefend in het laatmiddeleeuwse Oxford vindt Hoek terug bij Leydecker. Met name zijn denken over het goddelijk wilsbesluit brengt Hoek ertoe om de lijnen door te trekken van de augustijns-franciscaanse traditie, waarin Duns Scotus stond, naar het Utrecht van de zeventiende eeuw waarin Leydecker zijn theologie beoefende. Daarmee toont Hoek aan dat er niet alleen sprake is van een formele verwantschap tussen de middeleeuwse en de gereformeerde scholastiek, maar ook van een materiële verwantschap. De promovendus is daarin zo stellig dat hij Leydecker ziet als een zeventiende-eeuwse exponent van de klassieke augustijns-franciscaanse traditie. Zo komt Hoek tot de beantwoording van zijn tweede hoofdvraag en komt hij tot een afronding van zijn boeiende onderzoek. Gesteld kan worden dat hiermee niet alleen een bijdrage is geleverd aan de beschrijving van Leydeckers theologie, maar ook aan het onderzoek naar de gereformeerde scholastiek. Het vraagt wat doorzettingsvermogen van de lezer, maar eenmaal gegrepen is elk blaadje schoon.

P.C. Hoek, Melchior Leydecker (1642-1721). Een onderzoek naar de structuur van de theologie van een gereformeerd scholasticus. VU University Press: Amsterdam 2013. 335 blz. € 39,95.