donderdag 8 november 2018

Aurelius Augustinus. Brood om van te leven. Verhandelingen 24-54 over het Johannesevangelie. [In Iohannis euangelium tractatus]


Augustinus: „Vier evangeliën, of liever: vier boeken met één evangelie. Van de schrijvers daarvan is het de heilige apostel Johannes die vanwege zijn geestelijke inzicht wordt vergeleken met een adelaar. En terecht, want hij heeft met zijn verkondiging een veel hoger en verhevener niveau bereikt dan de drie anderen. En door die grote hoogte heeft hij ook onze harten op een grote hoogte willen brengen.” (36,1)

De liefde van de kerkvader Aurelius Augustinus (354-430) voor het Johannesevangelie was groot. Hij had zelfs een voorliefde voor de adelaar onder de evangelisten. Mattheüs wordt vaak vergeleken met een leeuw, de koning onder de dieren. Deze evangelist legt de nadruk op Christus’ koninklijke afstamming uit het huis van David. Lukas legt echter het accent op Christus’ priesterlijke bediening en begint dan ook met de priester Zacharias. Deze evangelist wordt daarom vergeleken met een jonge stier. De evangelist Marcus heeft met name oog gehad voor de mens Christus en minder voor zowel het koninklijke als priesterlijke aspect van zijn bediening. Johannes de heilige evangelist vliegt daarentegen hoog. Zo hoog dat hij met het verstand nauwelijks bij te houden is. Daarom roept de kerkvader zijn toehoorders op tot geloof en niet zozeer tot begrijpen.

Eerder zijn Augustinus’ verhandelingen over Johannes 1-5 vertaald. Onder de titel Brood om van te leven zijn de verhandelingen, die de kerkvader over de hoofdstukken 6-12 hield, verschenen. Enkele belangrijke karakteristieken die ook in de hoofdstukken 1-5 aan de orde komen, komen ook in Augustinus’ spreken over de hoofdstukken 6-12 aan de orde. De hoofdstukken bevatten drie wonderverhalen en korte toespraken van Jezus. In die toespraken gaat het vrijwel steeds over Jezus’ identiteit; Zijn verhouding tot de Vader, Zijn verhouding tot Abraham, Mozes en de profeten. Over Zijn afkomst en zijn verhouding tot zijn leerlingen en navolgers. Telkens ontstaat discussie als Jezus spreekt over Zijn identiteit. De inleiders merken daarom op dat de hoofdstukken 6-12 voor Augustinus een geschikt bijbels uitgangspunt vormen om te zoeken naar de ‘ware identiteit van Jezus Christus’. De preken zijn dan ook wel ‘bij uitstek preken over Jezus Christus’ genoemd. Augustinus biedt echter geen sluitende christologie of soteriologie. Het is hem te doen om Jezus Christus die Zich als Zoon van God heeft geopenbaard. Johannes heeft ervoor gekozen te spreken over de goddelijkheid van Jezus Christus. In die goddelijkheid is Hij gelijk aan de Vader en de enige Zoon van God. Daarom wordt Johannes door deze wijze van spreken ook wel vergeleken met een adelaar. (Io. Eu. Tr. 40,1) De teksten uit het Johannesevangelie worden wel steeds gelezen in samenhang met de andere evangeliën en het Oude en Nieuwe Testament. Zij moeten verstaan worden in hun Bijbelse context. Bovendien kan de juiste interpretatie en betekenis alleen op het spoor gekomen worden binnen de geloofsbelijdenis, zoals beleden binnen de katholieke kerk (catholica). De enige en ware betekenis van Johannes’ woorden staat voor Augustinus steeds in verband met twee elkaar aanvullende uitspraken in het begin van het evangelie: Jezus Christus is het Woord van God in het begin (Joh. 1,1) en dat Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. (Joh. 1,14) (Io. Eu. Tr. 23,6; 26,8; 47,6 en 10) Jezus heeft door zijn woorden en daden onophoudelijk willen bereiken dat wij geloven dat Hij God en mens is: „de God die ons heeft geschapen, de mens die ons heeft gezocht; God met de Vader voor eeuwig, mens met ons in de tijd.” (Io. Eu. Tr. 28,1) Die evangelische waarheid is de catholica het waard om stelling te nemen tegen opvattingen die Jezus’ Godheid of mensheid ontkennen.

Catholica
In het kerkelijk spectrum van Augustinus’ dagen is een verschuiving opgetreden. De donatisten, met wie de kerkvader dikwijls in discussie was, zijn wat naar de achtergrond verdwenen. In de verhandelingen over het Johannes evangelie worden andere ketterse groeperingen bestreden. Allen nemen zij in hun spreken over Christus’ identiteit een afwijkend standpunt in. Allereerst waren daar de Arianen. (Io. Eu. Tr. 26,37,40,43,45) Een ketterse stroming die vernoemd is naar Arius (250-336). Hij beweerde dat Christus niet God was, maar ondergeschikt aan de Vader. Een ketterij die niet beperkt bleef tot  de kerk, maar zelfs in de politieke verhoudingen een rol speelde. Het oost- en westromeinse rijk kwamen tegenover elkaar te staan. Een groep die naast de Arianen vaak bestreden wordt door Augustinus zijn de Sabellianen. In deze bundel worden zij het meest vermeld. (Io. Eu. Tr. 29,36,37,40,45,47,53). Zij ontleenden hun naam aan Sabellius, een priester uit Rome. Deze geestelijke beweerde dat Christus een bijzondere verschijningswijze van God was en geen zelfstandig persoon. Ook hij wilde, evenals Arius en Photius, het geloof in de ene God benadrukken. Sabellius leerde dat God slechts uit één persoon bestaat, die zich in verschillende gedaanten of manieren (modi) van verschijnen heeft geopenbaard. De Sabellianen worden daarom ook wel tot de bredere groep van modalisten gerekend. De alleenheerschappij van God krijgt bij hen zoveel aandacht dat de triniteit in het gedrang kwam. Eerder had de kerkvader Tertullianus (ca. 160-ca. 230) de Sabellianen al bestreden. Hij noemde hen ook wel partipassianen. Tertullianus verweet de Sabellianen namelijk, als zij consequent doordachten, dat God de Vader op dezelfde manier had geleden als Christus. Daarnaast zou Christus komedie hebben gespeeld, toen Hij zijn Vader aanriep.
Verder bestrijdt Augustinus meer zijdelings de Photinianen, Manicheeërs, Marcionieten en Appolinaristen. Photius (376) was een oudere tijdgenoot van Augustinus. De kerkvader beschuldigde deze bisschop van Sirmium dat hij de pre-existentie van Jezus Christus ontkende, maar wel leerde dat Jezus uit een maagd was geboren en een groot mens was. Het beginpunt van Jezus Christus ligt echter in de geboorte uit de maagd Maria, zoals ook Paulus van Samosata (ca. 200-275) beweerde. Voor de Manicheeërs had de jonge Augustinus sympathie gehad. Het dualisme van Mani (216-276) had hem bekoord. In zijn latere jaren heeft hij echter afstand genomen van deze ketterij. Dualisme is ook eigen het denken van Marcion. Hij beweerde dat de God en Vader van Jezus Christus niet dezelfde als God de Schepper uit het Oude Testament. De laatste werd door Marcion gezien als een ontwetende, wispelturige en wrede God. De God van het evangelie daarentegen was de God van liefde, volkomen transcedent aan de kosmos. De christelijke verlossing bestaat voor Marcion in bevrijding van de ziel uit de macht van de scheppergod door de zelfvernedering van de in een schijnlichaam verschenen Christus, de bode van een “onbekende God” en de brenger van een nieuwe moraal. Apollinarius (ca. 315- ca. 390) tenslotte legde de tekst ‘Het Woord is vleesgeworden’ (Joh. 1,14) uit als het aannemen van een lichaam door het Woord, maar niet als het aannemen van de menselijke natuur. Christus deelde dan ook niet volledig in het menszijn. Een opvattingen die tot op heden doorwerking heeft bij de zogenaamde monofysieten. Zij leren dat bij Christus alleen sprake is van een goddelijke natuur. Voortdurend dreigt of de Godheid en het menszijn van Christus tekort gedaan te worden en dreigt afgeweken te worden van het katholieke geloof.
Het katholieke geloof houdt namelijk vast aan wat er in beide groepen aan waarheid schuilt. Christus is en God en mens. Een eenzijdig accent op de godheid van Christus onthoudt de gelovige het geneesmiddel dat genezing wil brengen. Het is volgens Augustinus immers noodzakelijk dat Christus mens was om te kunnen genezen van zonden. Een eenzijdig accent op de mensheid van Christus zou tot ontkenning leiden van de kracht waardoor de mens is geschapen. Christus als het scheppende Woord dat het begin was, wordt dan immers ontkend. Het devies van de kerkvader is: ‘houd aan beide vast; met een gelovige ziel en een katholiek hart’. Hoe is Christus God? Hij is gelijk met de Vader, Hij is één met de Vader. Hoe is Christus mens? Hij is geboren uit een maagd en nam van de mens de sterfelijkheid over, niet de ongerechtigheid. De twee extremen worden door Augustinus geschetst: „Er zijn namelijk allerlei mensen geweest die bij het lezen van het evangelie zich blindstaarden op de teksten die over Christus’ nederigheid gingen maar die doof bleven voor de getuigenissen over zijn goddelijkheid […]” En: „Aan de andere kant zijn er allerlei mensen geweest die alleen oog hadden voor de passages over de verhevenheid van de Heer.” Augustinus: „Die mensen geloofden niet in zijn barmhartigheid als reden waarom Hij omwille van ons mens is geworden.” Concluderend merkt de kerkvader op: „De ene groep beweert dit, de andere dat, en beide zitten ze ernaast.” (Io. Eu. Tr. 36,2) Augustinus stelt een vuistregel voor. Alle uitspraken over de nederige en menselijke kant van Jezus Christus moeten in verband gebracht worden met het heilsplan. Hij is mens geworden omwille van de mens. Alle uitspraken in het evangelie waarin Christus verheven wordt boven alle schepselen, goddelijk en gelijk zijnde met de Vader, hebben daarentegen betrekking op de ‘gestalte van God’ en niet op ‘de gestalte van een slaaf’ (cf. Fil. 2,6-7). (Io. Eu. Tr. 36,2) Te begrijpen is deze vuistregel nauwelijks, zij moet dan ook geloofd worden. De gelovige gelooft juist, omdat hij niet begrijpt. Al voegt Augustinus daar direct aan toe dat geloven geschikt maakt om te begrijpen. (Io. Eu. Tr. 36,8) Augustinus wil onderscheiden, maar niet scheiden. Geen van de personen, Vader, Zoon en Heilige Geest, mogen ontkend worden, wel mag onderscheid tussen de personen gemaakt worden. Met het verstand mag onderscheid gemaakt worden. Het ongeloof mag echter geen scheiding maken. De Zoon is inderdaad een ander (alius) maar Hij is niet anders (aliud) dan de andere goddelijke personen. Zoals Christus het Zelf zegt in het Johannesevangelie: ‘De Vader en Ik, Wij zijn één.’ (Joh. 10,30) Augustinus’ commentaar op deze tekst is verhelderend eenvoudig: „Van die twee woorden bevrijdt dat “één” u van Arius en dat “Wij zijn” van Sabellius.” (Io. Eu. Tr. 36,9)

Christologie, soteriologie en triniteit
De evangelist Johannes vliegt hoog en vraagt veel van zijn lezers. Augustinus vroeg ook veel van zijn toehoorders. De kerkvader was zich ervan bewust en spreekt het ook uit: „Ik zie dat ik mij duidelijker moet uitdrukken.” (Io. Eu. Tr. 37,8) Gelukkig kan hij aan het eind van zijn preek ook opmerken: „Ik zie tot mijn vreugde dat u het begrepen hebt.” (Idem.) Voortdurend gebruikt Augustinus tegenstellingen en paradoxen om zich uit te drukken. Hij spreekt van mensen van beneden, die op een aardse manier denken en spreekt over Christus die is van boven. „Van wat voor “boven” komt Christus dan?”, zo vraagt Augustinus. „Rechtstreeks van de Vader”, zo luidt het antwoord. „Niets gaat uit boven de God die het Woord heeft voortgebracht dat gelijk is aan Hemzelf, even eeuwig als Hijzelf, eniggeboren, tijdloos en waardoor Hij de tijden zou scheppen.” (Io. Eu. Tr. 38,4) Beneden en boven, aarde en hemel, tijd en eeuwigheid. Al deze begrippen worden voor de kerkvader aangewend om tot uitdrukking te brengen wie Jezus Christus is. Schitterend komen deze gedachten samen in een verhandeling over Johannes 7: „Het getuigt van enorme barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus dat Hij, door wie de tijden zijn gemaakt, omwille van ons is geworden in de tijd: dat Hij, door wie alles is gemaakt, temidden van dit alles is geworden; dat Hij geworden is wat Hij heeft gemaakt. Jazeker, Hij is geworden wat Hij had gemaakt, omdat Hij die de mens had gemaakt, mens is geworden om te voorkomen dat verloren zou gaan wat Hij had gemaakt.” (Io. Eu. Tr. 31,5). Een uitgesproken christologie, laat staan een soteriologie geeft de kerkvader niet. Het Anselmiaanse denken over verzoening is nog ver weg en Augustinus tekent Christus eerder als Christus Victor als hij spreekt over de ergste dood waarmee Christus de dood doodt en over Zijn kruis als zegeteken op de overwonnen duivel. De triniteit staat in dit geschrift ook nog op de achtergrond, al is het niet onwaarschijnlijk deze verhandelingen over het Johannesevangelie hebben gediend als voorstudie voor het grootse geschrift De Trinitate. Augustinus wil zijn toehoorders liefde bijbrengen voor alle dimensies van het heil in Christus, door hem ook wel ‘Gods barmhartigheid’ genoemd. De verlossing, bevrijding en genezing van zonde en onrecht in Jezus Christus moet verkondigd worden. Daarvan was Augustinus tijdens zijn jaren als pastor en bisschop van Hippo Regius vervuld.

Aurelius Augustinus. Brood om van te leven. Verhandelingen 24-54 over het Johannesevangelie. [In Iohannis euangelium tractatus] Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Hans Tevel en Hans van Reisen. Damon: Eindhoven (2017). 486 blz. € 49,90.

vrijdag 5 januari 2018

C. Harinck, Gods beloften in het persoonlijk leven

Opnieuw is er van de hand van ds. C. Harinck (1933) een boek verschenen. Het boek bevat een gedegen studie over Gods beloften. De titel verraadt dat dit werk geen louter theologische diepteboring wil zijn, maar een pastorale toepassing is van dit veelbesproken onderwerp. Ds. Harinck heeft dit boek daarom de titel ‘Gods beloften in het persoonlijk leven’ meegegeven. In deze recensie willen wij een impressie van de inhoud van het boek geven en nagaan of deze pastorale insteek daadwerkelijk bereikt is.

Algemene impressie
Het is geen vraag of er behoefte is naar een gedegen studie over Gods beloften. Dat laat de grote vraag naar dit boek duidelijk zien. Zo verscheen de eerste druk van dit boek in april 2017 en de tweede en derde druk in mei en april van hetzelfde jaar. De reden hiervoor ligt wellicht in het verlengde van de tekst op de achterflap van het boek. De kennis van Gods beloften laat te wensen over. Er heerst veel verwarring over. Soms lijkt er zelfs een huiver te zijn om over de beloften van God te spreken. Dit heeft een achtergrond. Velen hebben het alleen over Gods beloften, en zwijgen over Gods eisen. Maar God spreekt met twee woorden tot ons: Wet en Evangelie. Hoewel wij deze woorden voor de auteur laten, blijkt er dus wel degelijk een behoefte aan een boek over dit onderwerp. Een eerste blik op bovenstaande tekst zou de indruk kunnen wekken dat de auteur het denkt te weten tegenover ‘de rest’ die het blijkbaar verkeerd ziet. Een nadere kennismaking met de inhoud van het boek laat vrijwel direct zien dat deze indruk onterecht is. Hoewel er verschillend wordt gedacht over de inhoud van Gods beloften en over de vraag voor wie de beloften zijn, zult u in dit boek geen betweterige of polemische uitspraken aantreffen. Dit wil overigens niet zeggen dat de auteur geen stelling durft te nemen. Dat doet ds. Harinck wel degelijk, al is hij zich er van bewust dat deze zaken gevoelig kunnen liggen. Zo nu en dan benoemt hij dit ook. Bijvoorbeeld in het hoofdstuk 6 over de Doop en de belofte: ‘Er is na de Afscheiding een heftige strijd ontbrand over de plaats van de gedoopte kinderen en de beloften van de Doop. En deze strijd is nog niet ten einde. We begeven ons dus op gevaarlijk terrein als we spreken over Doop en belofte’ (122).

Het boek is met 165 pagina’s geen lijvige of uitputtende studie van dit onderwerp te noemen. Dat wil ds. Harinck ook niet bereiken. Als hoofddoel van dit boek wenst hij dat dit werk ‘een biddend en gelovig gebruik maken van Gods beloften’ bewerkstelligt. Verder geeft ds. Harinck in het voorwoord aan dat hij het boek mede heeft geschreven als studiemateriaal voor studieverenigingen en bijbelstudiegroepen. Om die reden staan er na elk hoofdstuk zo’n acht à negen vragen. Een antwoordmodel zal de lezer tevergeefs zoeken, maar dit is ook niet nodig. De vragen zijn vooral recapitulerend van aard. Het niveau van sommige vragen had hoger gemogen en een aantal stellingen zou voor het kringwerk welkom geweest zijn. Maar al met al vormen deze vragen een welkome aanvulling.

Zoals gezegd is de emerituspredikant van de Gereformeerde Gemeente zich ervan bewust dat er binnen de gereformeerde gezindte (en daarbuiten!) verschillende visies bestaan op Gods beloften. Hoewel sommige visies worden veroorzaakt door een gebrek aan (theologische) kennis, blijft ds. Harinck op de oppervlakte als het gaat om de vraag waarom er zoveel verschillende visies bestaan. Wat de auteur daarentegen wel uitvoerig doet, is het benoemen en weerleggen van tal van welgemeende (geestelijke) bezwaren. Dit doet hij op een tere manier en dat laat duidelijk zien dat de auteur jarenlange ervaring heeft als predikant. Dit blijkt ook wel uit de kennis die hij heeft over de twijfels en vragen die rondom dit thema kunnen leven. 

Een sterke kant van dit boek is verder dat de auteur naast Gods Woord en de belijdenissen gebruik maakt van, naar eigen zeggen, ‘oude, betrouwbare theologen’. Dit doet ds. Harinck op twee manieren. Soms haalt hij een theoloog zijdelings aan in de doorlopende tekst. Als hij een groter citaat geeft, wordt dit in een apart kader afgedrukt. Het voordeel hiervan is dat ds. Harinck zijn positie met citaten onderbouwt en dat geïnteresseerden weten waar ze moeten zijn voor verdiepend studiemateriaal. Een nadeel is dat de keuze van deze ‘oude, betrouwbare theologen’ soms wat arbitrair over lijkt te komen en dat de citaten zonder verdere context worden weergegeven. Maar over het algemeen duiden wij deze keuze om uitgebreide citaten weer te geven positief. Het laat zien dat theologiseren nooit los mag staan van de kerk der eeuwen. Ook al wordt deze ‘kerk der eeuwen’ is dit boek vooral beperkt tot de Reformatie en Nadere Reformatie.

Opbouw van het boek
De opbouw van het boek lijkt op het eerste gezicht een logische. Het boek begint met het beschrijven vanuit welke Bron de beloften komen. Vervolgens wordt uitgelegd dat de beloften door het geloof in Christus tot de gelovigen komen. In Hem zijn de beloften ja en amen. Nadat ds. Harinck dit helder uiteengezet heeft, vervolgt hij met een hoofdstuk over welke soorten beloften er allemaal in de Bijbel staan. Hierna behandelt de auteur de beloften in combinatie met het geloof en het gebed. Vervolgens bespreekt ds. Harinck de beloften in samenhang met de Doop om tenslotte te eindigen met de betekenis van de beloften voor het christen-zijn in de praktijk van alledag. Persoonlijk zou het ons logischer hebben geleken dat het hoofdstuk over de Doop (hs. 6) na het tweede hoofdstuk zou volgen. De Doop is, volgens de auteur, een pleitgrond waarop de gelovige mag pleiten. Nu kiest de auteur ervoor om eerst de beloften in combinatie met het geloof en het gebed te behandelen. Deze keuze is niet fout, maar het is, naar onze mening, krachtiger om bij het objectieve gegeven van de Doop te beginnen in plaats van bij het subjectieve gegeven van het geloof. Hoe het ook zij, het is te prijzen dat ds. Harinck in ieder geval bovenstaande deelonderwerpen behandeld.

Inhoud
Zoals hierboven vermeld, bestaat het boek uit een zevental hoofdstukken. In de inhoudsopgave staat tekens per hoofdstuk in het kort vermeld wat er behandeld wordt. Deze keuze van uitgeverij Den Hertog maakt dat het boek erg prettig in het gebruik is. De lezer kan in één oogopslag zien wat er in het desbetreffende hoofdstuk aan bod komt. Dit is vooral handig voor het gebruik op studiekringen. 

Hieronder treft u een korte beschrijving van de zeven hoofdstukken aan. Hierbij hebben wij keuzes moeten maken en vanwege de ruimte zullen vooral de meest opvallende zaken besproken worden.

1. Een belovend God. In dit hoofdstuk begint ds. Harinck bij de zondeval. Hierop volgt de eerste belofte in de Bijbel, de zogenaamde moederbelofte. Door dit proto-evangelium wordt de heilshistorie in gang gezet, aldus de auteur. Gods beloften aan zondige mensen zijn vrije beloften, ofwel beloften die onverdiend zijn. Het is goed nieuws, Evangelie, dat de beloften van het verbond der genade vrije giften van God zijn. In dit hoofdstuk komt ook duidelijk naar voren dat de auteur de leer over de beloften zowel voorwerpelijk als onderwerpelijk wenst te behandelen. Naast een stevige theologische basis past hij het besprokene ook telkens toe. Bijvoorbeeld door het inzetten van een fictieve gesprekspartner: ‘U zegt: ‘Ik kan niet geloven dat God bereid is mij te ontvangen en mij Zijn genade te schenken, want er is niets goeds in mij. Ik ben een overtreder van Gods geboden en een verachter van Zijn Evangelie.’ Het is juist wat u zegt. […] De wet van verdienste veroordeelt u tot de eeuwige dood, maar de belofte van genade opent voor u een deur van hoop’ (24).

2. Christus en de beloften. Christus is de Poort van Gods beloften, aldus ds. Harinck. Waar God de Vader vooreerst beloften aan de Zoon gedaan heeft, namelijk het verkrijgen van een volk uit Jood en heiden (Ps. 2:8), komen de beloften vervolgens door het geloof in Christus naar de gelovige. Omdat Christus de beloften heeft verworven, vormt Hij de enige pleitgrond voor de vervulling van Gods beloften (35). In dit hoofdstuk stelt ds. Harinck onder andere deze fundamentele vraag: ‘Men stelt soms eenvoudig: ‘Er staan geen beloften voor onbekeerde mensen in de Bijbel’. Als dat zo is, dan is er voor een onbekeerd mens ook niets om op te hopen. Want waar zou je op hopen als God je niets belooft? Maar is dit zo?’ (41). Met een beroep op de puriteinen en theologen van de Nadere Reformatie stelt ds. Harinck dat het bezit van de beloofde zaken inderdaad verbonden is met een waar geloof in Christus. Toch doet God wel degelijk beloften aan onbekeerde mensen, aldus ds. Harinck. Bijvoorbeeld in Jesaja 55:7: ‘De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk’. Hoewel de onbekeerde de beloofde zegen daarmee niet bezit, geeft dit hun toch een zeker recht. Dit is geen recht op het bezit van de beloofde zegen, maar een recht om te doen wat God in de desbetreffende belofte eist en langs die weg een bezitter van het beloofde goed te worden (42). Volgens ds. Harinck ontleent de zondaar zijn recht om tot Christus te komen niet aan zijn boetvaardigheid, maar aan Gods belofte (44). Het moge duidelijk zijn, dat dit grote implicaties heeft voor het theologiseren in het algemeen en de prediking in het bijzonder. Het feit dat de beloften van God rusten op een Christus, Die alles heeft aangebracht wat tot de zaligheid nodig is en niet rusten op wat de mens doet of aanbrengt, opent juist ruimte voor de prediking. Anders zouden wij zelf alles met God in orde moeten maken (50).

Bij het bestuderen van dit hoofdstuk lijkt het soms alsof een christen vooral in de beloften moet geloven in plaats van in Christus. Dit zal niet de bedoeling van de auteur zijn. Ds. Harinck benadrukt sterk dat er een hecht verband ligt tussen Christus en de beloften (46). Het is waar dat Christus en Zijn verlossingswerk niet losgemaakt mag worden van de beloften (51), maar het is even zo goed waar dat er geen eenzijdige focus op de beloften mag komen te liggen zonder Christus en Zijn verlossingswerk. Wie slechts dit hoofdstuk leest zou wel in deze valkuil kunnen trappen. Een integrale bestudering van dit boek geeft echter geen aanleiding tot een eenzijdige focus op de beloften. Het boek begint namelijk met de moederbelofte, ofwel de belofte van de komst van Christus, en eindigt met een beschrijving van het moment dat de laatste belofte vervuld zal worden. De belofte dat de gelovige Christus zal zien gelijk Hij is (1 Joh. 3:2). 

3. Soorten beloften. Omdat er verschillende noden zijn, heeft God ook meerdere beloften gegeven, aldus ds. Harinck. Achtereenvolgens worden verschillende soorten beloften onder de loep genomen. Bijvoorbeeld de beloften die betrekking hebben op het toekomende leven, evangelische beloften, beloften ter ondersteuning in het dragen van het kruis, et cetera. Ds. Harinck besteedt in dit hoofdstuk veel aandacht aan beloften die de zaligheid betreffen. God belooft aan een ieder die in Christus gelooft het eeuwige leven. Terecht waarschuwt de auteur hier om deze belofte niet te versmallen tot de uitverkorenen. Maar de algemene beloften strijden niet met de verborgen verkiezing, aldus de auteur. Na de behandeling van de algemene beloften behandelt ds. Harinck de bijzondere of speciale beloften die behoren tot het nieuwe verbond. Deze paragraaf behoort volgens onze mening tot de mooiste van het gehele boek. Op indrukwekkende wijze wordt de schoonheid en troost voor Gods kerk beschreven op een manier die alleen maar tot doxologie kan leiden! Verder behandelt ds. Harinck het verschil tussen onvoorwaardelijke en voorwaardelijke beloften. Hieraan gekoppeld behandeld ds. Harinck wat volgens hem de grootste belofte is, namelijk die uit Genesis 17:7: ‘Om u te zijn tot een God, en uw zaad na u’. Het is het rijkste en het gezegendste woord dat God ooit sprak. Het omvat alle beloften van de Bijbel. Het betekent een volledige terugkeer van God tot de mens. Gods heilsplan zal uitlopen op de vervulling van deze grote verbondsbelofte (73).

4. Geloof en belofte. Na uitvoerig de Bron en aard van de beloften besproken te hebben, wordt in dit hoofdstuk de focus op het rechte gebruik van de beloften gelegd. Hoewel Gods beloften in Christus ja en amen zijn, wil dit niet zeggen dat de mens passief is in de weg van de toepassing van de beloften. Gods beloften moeten ons werkzaam maken. Zij worden vervuld in de weg van bekering en geloof, bidden en smeken, volharden en vertrouwen (79). Toch maakt de eis van geloof en bekering de beloften niet afhankelijk van de bereidheid of keuze van de mens om te geloven. Ook betekent het niet dat de mens zich de belofte op een bepaalde manier waardig moet maken. De Bijbel benadrukt dat het geloof in Christus de weg is waarin God Zijn belofte vervult (81). Zondekennis is nooit de grond waarop een doemwaardig mens tot Christus vlucht. De grond is Gods belofte, aldus ds. Harinck. In dit hoofdstuk wordt verder de toe-eigening van de beloften besproken. Onder andere door de leer van het zogenaamde syllogisme (sluitrede). De theologen die deze leer aanhangen/aanhingen stelden dat als iemand bepaalde zaken bij zichzelf waarnam (bijvoorbeeld berouw over de zonden en een droefheid naar God), zo’n mens zich dan op Gods beloften mag verlaten en geloven dat de desbetreffende beloften waar deze voorwaarden worden gesteld ook voor hem gelden (88-89). Hoewel deze benadering niet onschriftuurlijk is, moet er gewaakt worden voor een ‘conclusie geloof’. Het is de Heilige Geest Zelf Die een mens laat weten dat hij een kind van God is (Rom. 8:16). Ds. Harinck benoemt de rol van de Heilige Geest in de verzekering van de gelovige wel, maar naar onze mening had hij dit uitgebreider mogen doen. Een sterk punt van dit hoofdstuk is dat na de behandeling van het syllogisme, de auteur overstapt naar de toe-eigening door de belofte van het Evangelie. Terecht haalt hij hierbij Calvijn aan, die meent dat de ware zekerheid niet in ons, maar buiten ons gevonden wordt.

5. Gebed en belofte. Dit hoofdstuk gaat verder in op de toepassing van de belofte. De Heere handelt niet met de mensen als met stokken en blokken. Nee, de mens wordt opgeroepen om via het gebed de Heere te smeken om de beloften toe te passen. Ds. Harinck stelt zichzelf hardop de vraag of een lauw gebedsleven niet veroorzaakt kan worden doordat de bidder niet werkzaam is met de beloften (100). Juist om datgene wat de Heere belooft, wil Hij gebeden zijn. Volgens de auteur brengt gekende en beleefde nood een mens tot bidden en tot het gebruiken van de beloften. Juist dan worden de beloften als pleitgrond ingezet (104). Toch vragen wij ons af of de auteur hier niet wat te snel gaat. Nood leert bidden als de Heilige Geest eraan te pas komt. Anders leert nood vaak vloeken. En is iemand die ontdekt is aan zijn nood niet veel vaker een ‘rechteloze’ geworden die nergens meer op kan en durft te pleiten? Hoewel de auteur niet uitgebreid op bovenstaande vragen ingaat, geeft hij indirect wel een antwoord. Zo stelt hij verderop in het hoofdstuk dat de beste pleitgrond de Naam van Jezus Christus is (112). Dit kijken naar buiten en omhoog, is heilzamer dan alleen naar binnen en naar beneden te staren. 

Twee zaken die verder in dit hoofdstuk benoemd worden en de moeite waard zijn om te vermelden zijn de discussie over de vraag of je iemand wel op mag wekken om op Gods beloften te pleiten (114) en de vraag hoe het kan dat iemands gebeden niet verhoord (lijken) te worden (115-117). Hoewel de auteur beide zaken slechts kort behandeld doet hij dit overtuigend en met pastorale bewogenheid. 

6. Doop en belofte. In tegenstelling tot het vorige hoofdstuk neemt ds. Harinck hier een lange aanloop om tot zijn punt te komen. Toch wordt dit, mede vanwege in interessante inhoud, geen enkel moment vervelend. Na een uitgebreide beschrijving over wat het verbond met Abraham inhoudt, wat dit zegt over de christelijke gemeente anno nu, bespreekt ds. Harinck uitgebreid de koppeling tussen besnijdenis en doop. Als toegift wordt ook de kinderdoop kort en krachtig en, naar onze mening, met steekhoudende argumenten neergezet. Het geeft dit hoofdstuk een grote meerwaarde dat niet alleen de doop in combinatie met de beloften wordt uitgelegd, maar dat er ook een gedegen stuk verbondstheologie de revue passeert. Dit zesde hoofdstuk eindigt met een bespreking van de veelgehoorde vraag ‘Wat heb ik aan mijn doop?’ en een troostvolle paragraaf speciaal gericht aan ouders die de doopbelofte hebben afgelegd.

7. Christenleven en belofte. Waar de vorige hoofdstukken voornamelijk theoretisch van insteek waren, is dit hoofdstuk vooral pragmatisch en pastoraal van aard. Gods kinderen leven niet meer onder de wet, maar naar de beloften van het Evangelie. Toch is dit in de praktijk van alledag niet altijd het geval, aldus ds. Harinck (147). Desondanks bieden de beloften troost en perspectief! Het christenleven is daarom een leven dat gevoed en onderhouden wordt door Gods beloften. Het maakt de zaligheid ook zeker en vast. Wat is er zekerder dan Gods belofte, bevestigd door Zijn eed en bezegeld door het bloed van Christus? (149-150) De verdere onderwerpen, bijvoorbeeld de belofte van de heiliging van het kruis, de beloften in het licht van Gods voorzienigheid et cetera, die in dit hoofdstuk aan bod komen hebben allen als doel om te bemoedigen en te eindigen in de lofprijzing van God. Het boek eindigt dan ook terecht op hoge tonen. Wat een dag zal dat zijn als alle beloften van God in vervulling zullen gaan! (164)

Tot slot
In het begin van deze recensie stelden wij onszelf de vraag of dit boek zou voldoen aan de pastorale insteek die de titel lijkt te impliceren. Het antwoord is een volmondig ja! De aard, het nut en de zegen van de beloften uit de Bijbel wordt op indrukwekkende wijze ontvouwd. Het boek is van begin tot het einde helder en duidelijk. De kracht van dit boek zit dan ook in de begrijpelijkheid en de didactisch sterke opbouw. Voor wie meer wil leren over de rijke beloften die er in de Bijbel staan is dit boek dan ook een grote aanrader. Van harte aanbevolen!

Ds. C. Harinck, Gods beloften in het persoonlijk leven, Den Hertog: Houten (2017). 165 blz. €17,50 (gebonden).